| |
Hoofdstuk III
DE HEREN VAN BOCHOLT
A. Lijst van de heren van Bocholt
Voordat Bocholt een vrijheerlijkheid werd, stond het rechtstreeks onder het gezag van de graaf van Loon. Die moet wel een plaatsvervanger hebben aangesteld om zijn belangen in Bocholt te verdedigen, maar we weten niet of deze plaatsvervanger in Bocholt verbleef.
Vroeger werd door de graven een baljuw benoemd, een gerechtspersoon die bevoegdheid had over verschillende vrijheerlijkheden (later zullen we aantonen dat de heer van Bocholt verschillende dorpen in zijn bezit had). Of dat ook het geval was voor Bocholt, is niet geweten.
Er waren achtereenvolgens de volgende graven van Loon als heren van Bocholt:
1. Graaf Ricfried en gravin Horinsindis
Zij hadden ook de Maasgeuw en Haspinga onder hun voogdij. Zij zijn de grondleggers van het gravengeslacht van Loon. Zij stamden rechtstreeks af van de Karolingers.
2. Ansfried
Hij was een familielid van Ricfried. Hij was ondermeer de stichter van de abdij van Thorn. Hij stierf als bisschop van Utrecht in 1010. Hij was tevens grondheer van Kessenich, Thorn, Kinrooi, Stramproy, Molenbeersel, Beek en Neeroeteren.
3. Giselbrecht
Ook Giselbertus genaamd. Hij was oorspronkelijk graaf van de Maasgouw en erfde na de dood van zijn broer Arnold Haspinga. Het was de vrouw van Arnold, Ermengardis, die Bree en Gruitrode onder haar bezittingen had. Giselbertus was eigenlijk de eerste graaf van een verenigd Loon.
4. Emmo
Was graaf van Loon van 1050 tot 1052.
5. Arnold I
Was graaf van Loon van 1052 tot 1126.
6. Arnold II
Was de zoon van Arnold I. Hij regeerde van 1126 tot 1145.
7. Lodewijk I
Was de zoon van Arnold II. Hij regeerde van 1145 tot 1171 over het graafschap Loon, hoewel hem door keizer Koenraad III het gezag over bepaalde gewesten was ontnomen. Hij vertrok in 1160 naar het Heilig Land. Bij zijn terugkeer wilde hij zijn macht uitbreiden, maar hij werd door de graaf van Duras in Loon (Borgloon) belegerd. Hij overleed tijdens het beleg.
8. Gerard I
Was de zoon van Lodewijk I. Hij regeerde van 1171 tot 1195.
9. Lodewijk II
Was de zoon van Gerard I. Hij regeerde van 1195 tot 1215. In 1203 huwde hij Ada van Holland, de erfgename van graaf Dirk VII van Holland. In de strijd van Ada met haar oom Willem steunde Lodewijk de aanspraken van zijn vrouw. In 1206 werd hij als graaf van Holland erkend (verdrag van Brugge). De regering bleef echter in handen van Willem, al werd Lodewijk gesteund door de paus en door Jan zonder Land, de koning van Engeland. Hij streed met de bisschop van Luik tegen Hendrik I, hertog van Brabant (overwinning van Steppes, 1213), en onderscheidde zich in de verdediging van het Luikse bisdom. Hij werd vermoedelijk vergiftigd. Zijn huwelijk met Ada van Holland bleef kinderloos.
10. Arnold III
Hij regeerde van 1215 tot 1221 over Loon.
11. Lodewijk III
Regeerde van 1221 tot 1227 over Loon.
Hij verklaarde dat de abdij van Herkenrode in 1222 te Bocholt de goederen had verkocht die toebehoorden aan Willem van Ordingen of Ardingen en die onder zijn voogdij of bescherming stonden (1). Het is ons onmogelijk geweest de persoonlijkheid van deze Willem van Ordingen te achterhalen.
Waarschijnlijk behoorde hij tot de adellijke familie die haar naam ontleende aan het dorp Ardingen bij St.-Truiden en die naderhand nog in betrekking kwam met de abdij.
Jacobus, zoon van ridder Adam, heer van Ardingen (2), schonk 60 jaar later aan Herkenrode een leen te Pieterbeek bij Hasselt (1282). Misschien was hij een afstammeling van Willem van Ardingen.
De verkochte goederen stonden onder de "voogdij of bescherming" van de graaf van Loon. Het woord voogdij kan misschien verwijzen naar een geestelijke, maar we vinden ook hier geen aanduiding die ons de persoon nader doet kennen.
Welke goederen waren het? Wordt hier misschien Boekhout bedoeld?
Een later charter van 23 juni 1239 spreekt over "terras et redditus" (3), gronden en inkomsten. Hier wordt niet gesproken over een heerlijkheid of jurisdictie Bocholt.
Met Willem van Ardingen mogen we aannemen dat de lijst van de heren van Bocholt een aanvang heeft genomen.
12. Arnold IV
Hij regeerde van 1227 tot 1237. Om zijn machtspositie te versterken gaf de graaf van Loon verschillende dorpen in leen aan zeer belangrijke families. Zo gaf hij Bocholt, Grote-Brogel en Kessenich in leen aan de familie van Born, afkomstig uit de heerlijkheid Born in Nederlands-Limburg.
13. De familie van Born
a. Gozewijn van Born
Wanneer hij precies heer van Bocholt geworden is, weten we niet. Maar in 1231, vóór 22 augustus, verkocht Gozewijn met toestemming van zijn vrouw de gehele tienden van Bocholt, die hij in leen hield van de graaf van Loon, aan de abdij van Herkenrode. Hij gaf haar bovendien nog het patronaatsrecht van de kerk (4).
Op 22 augustus van hetzelfde jaar bekrachtigde Arnold IV, graaf van Loon en Chiny, de verkoop van de tienden en de gift van het patronaat (5). De verkoop bracht 88 Keulse marken op: 8 voor de kleine tienden en 80 voor de grote tienden.
Deze oorkonden schijnen erop te wijzen dat in het begin van de 13de eeuw Bocholt nog geen georganiseerde heerlijkheid was. De graaf van Loon was eerst grondbezitter en heer van de plaats. Hij heeft de kerk doen bouwen, want de tienden hebben hem toebehoord. Ook de patroon van de parochie, St.-Laurentius, duidt op een grafelijke stichting: dikwijls werden de kerken die door de graven van Loon of hun leenmannen gesticht werden, onder de bescherming geplaatst van deze Romeinse diaken en martelaar.
Het was als gevolg van de Cluniacensische hervorming (denken we maar aan Gregorius VII en de Investituurstrijd – de strijd tussen de paus en de Duitse keizer), dat Gozewijn van Bern zijn kerkelijk inkomsten van Bocholt aan de abdij van Herkenrode verkocht.
Deze abdij, stichting van de graven van Loon, ontving nog vele giften van andere edellieden. Zulks ligt helemaal in het teken van de tijd (6).
De kerk wilde haar inkomsten ontrukken aan de greep van het leenstelsel. De graven van Loon, stichters, voogden en beschermers van de abdijen van Herkenrode en Averbode, behielden het hoge toezicht over die goederen, terwijl de kleine adel werd uitgeschakeld.
Toch hebben we voor Bocholt wel degelijk te maken met een verkoop. Immers, alle onkosten en lasten opzij gelaten, bedroegen de grote tienden nog 16 mud koren (Maastrichter maat).
Ieder mud werd geschat op 5 mark. De verkoper ontving 80 mark, maar eerst na 3 jaar zou een definitieve afrekening plaatsvinden: indien de opbrengst minder dan 48 mud beliep, dan moest de heer van Born het tekort met eigen koren aanvullen; ontbraken er 3 mud, dan moest hij aan de abdij 5 mark teruggeven. Waren er 3 mud teveel, dan zou hij nog 5 mark ontvangen. Liep het verschil hoger op, dan zou in dezelfde verhouding worden bijbetaald of weergegeven.
Op 1 juli 1296 verklaart Arnold IV, graaf van Loon, dat Gozewijn van Born, heer van Elsloo, "sijn dienre" "famulus", aan zijn neef Willem van Horne een deel water uit een beek gegeven heeft, een beek die de heerlijkheid Bocholt besproeit. Het gaat hier om de Weerterbeek. Het afleidingskanaal mocht zo wijd en breed zijn "als deer eijn vaet off duetlinck geheithen eijn biecaer loupen mach" (7).
De beek, naderhand verbreed, bestaat nog gedeeltelijk en loopt naar Weert. Ze heet Weerterbeek in Bocholt en Bocholterbeek in Weert. Waarschijnlijk kwam haar water de lakennijverheid van de stad ten dienste. In ieder geval gaf zij aanleiding tot vele twisten en processen, die eerst in 1914 zouden eindigen.
Wat echter belangrijker is, zijn de volgende woorden: "In jurisdictionem de Boeckhout quam a nobis penitus tenet in feodum dictus Goeswinus". Hier wordt klaar en duidelijk de heerlijkheid bedoeld: "het rechtsgebied van Bocholt dat gezegde Gozewijn helemaal van ons in leen houdt".
In 1295 was Gozewijn van Born dus heer van Bocholt. Hij hield het dorp in leen van de graaf van Loon, die was "tamquam Dominus honorum sive jurisdictionus de Boeckhout praedictae superior", als suzerein van de goederen of van het rechtsgebied.
b. Otto van Born
Na de dood van Gozewijn wordt zijn broer Otto heer van Bocholt. Otto moet vóór de dood van zijn broer al een zekere macht in Bocholt hebben gehad. Want in 1287 was de abdij van Herkenrode met Otto en zijn vrouw in proces over de tienden van Bocholt. De abdij moest nog 125 Luiker mark bijbetalen (8).
Op 22 september 1287 verzaakten Otto van Born en zijn vrouw Margaretha aan alle rechten op de tienden (9). Zij verklaarden een som ontvangen te hebben, wat een einde maakte aan het rechtsgeding over de novaal—tienden. Het gold dus de nieuw ontgonnen gronden.
Het pauselijk privilegie, waardoor Herkenrode niet mocht gedwongen worden tot het aankopen der novaal-tienden, kon niet beletten dat de abdij aan de heer van Bocholt een aanzienlijke som moest betalen.
Bocholt moet gedurende de 13de eeuw een geweldige uitbreiding hebben genomen. Het aantal inwoners en bunders grond moet aanzienlijk zijn toegenomen. Anders leggen we niet uit - zelfs als we rekening houden met een mogelijke devaluatie van de munt - hoe de novaal-tienden 125 Luiker mark of 62,5- Keulse mark konden bedragen. 50 jaar vroeger waren de tienden van al de bebouwde gronden voor 60 Keulse mark verkocht. We mogen echter niet vergeten dat toen met het onderhoud van de kerk en de kerkdienaars rekening werd gehouden.
Nog lange tijd bleef de familie in het bezit van Bocholt. In 1329 immers verklaart Catharina van Wildenberg, dochter van Filip V van Reifferscheid en van Jeanne de la Marck, dat haar echtgenoot Otto van Born, heer van Elsloo, "dat vurboge van unser Burch zo Elslo in dat dorp alda zo, so wei id uns so behurt, over indundin dat husze der wardin, dat dorp zo Brugele dat dorp zo Espekem und gerechten, ho und neder..." in leen houdt van Willem, graaf van Gullik "sunder Boichhoeltz ind dat man van mere greven van Loene zo lene held" (10).
Voor Bocholt was de heer van Elslo leenman van de Loonse graaf. Ook Kessenich wist hij door mengeling te bekomen: daarvoor gaf hij de burcht en het land van Wildenberg, Hilleheim en Ambele, bruidschat en erfdeel van zijn vrouw. Het dorp en de burcht van Born kwamen in handen van de dochter van Gozewijn III, die ze aan Jan van Valkenburg, heer van Ravesteyn, verkocht.
Spijts de verkoop van het stamhuis had het geslacht Born-Elslo zich in Belgisch-Limburg een uitgestrekt domein weten te scheppen. Grote-Brogel, Erpekom en Bocholt waren reeds niet te versmaden bezittingen en vormden min of meer een gesloten geheel. Ook in latere tijden zou Grote-Brogel dikwijls onder dezelfde heren staan als Bocholt. Beide dorpen werden dan ook meestal in één adem genoemd. Wij schenken echter alleen aandacht aan het lot van Bocholt.
Uit het huwelijk van Otto met Catharina sproot een zoon, eveneens Otto geheten. Hij huwde met Johanna van Breydenbempt, dochter van Werner de Palant en van Rorika de Merode. Otto stierf in 1364.
c. Catharina van Wildenberg
Na de dood van haar man, Otto van Born, werd zij de vrijvrouwe van onze heer-lijkheid. Had het dorp tot nu toe gediend als onderpand voor de trouw van Maaslandse dynasten, als betaling in natura voor legerdienst en leenhulde, nu zou het ook ten prooi vallen aan de speculatiegeest van de beruchte Reynart of Renier van Schoonvorst, bankier en raadgever van vele vorsten, de eerste grote en de meest behendige financier van zijn tijd. In 1340, kort na de dood van haar echtgenoot, huwde Catharina met Renier van Schoonvorst.
d. Renier van Schoonvorst
Door zijn huwelijk met Catharina hoopte Renier de heerlijkheid Bocholt met nog vele andere dorpen in zijn bezit te krijgen (11).
Na meerdere jaren huwelijk had Otto, de zoon uit het eerste huwelijk van Catharina, nog geen kinderen. De sluwe financier zocht naar een gelegenheid om de goederen van zijn stiefzoon op zijn eigen kinderen te doen overgaan. Geldnood van Otto was voor Renier een welgekomen aanleiding. Op 21 mei 1361 (12) erkende de heer van Bocholt dat hij voor 3000 gouden schilden een rente van 300 schilden had verkocht op kasteel, dorp en heerlijkheid van Elslo, op de dorpen en heerlijkheden van Bicht en Catsop en op al de dorpen die hij bezat. Als voorwaarde werd gesteld dat, als de rente niet betaald werd, de voornoemde heerlijkheden na de dood van Otto aan Renier of zijn erfgenamen zouden toebehoren. Otto van Elslo of zijn erfgenamen mochten steeds de rente terugkopen voor de som van 3000 gouden schilden, maar zij mochten noch beide, noch “schetzinge" ophalen of wat dan ook ontvreemden van de dorpen Bocholt en Brogel voordat de rente was afbetaald.
De vrouw van Otto, Joanna van Rreydenbempt, ging akkoord met deze bepalingen en stelde zich tevreden met een lijftocht en het vruchtgebruik die haar werden toegewezen. Waarschijnlijk was deze lening slechts een bedekte verkoop, want op 7 oktober 1361 liet Otto weten dat de heerlijkheden Elslo, Bycht en Catsop na zijn dood zouden overgaan op zijn halfbroers, zonen van Renier van Schoonvorst, behoudens het vruchtgebruik van zijn vrouw Joanna te Brogel en te Kessenich.
Van Bocholt wordt niet gesproken, maar uit het vervolg van dit overzicht zal blijken dat het dorp ook behoorde tot de lijftocht van de echtgenote van Otto.
Zo was dit maneuver volkomen gelukt. Vele goederen van de familie Born-Elslo zouden naar de Schoonvorsten overgaan, maar niet Bocholt.
Men kent het ongelukkige einde van de geldmagnaat. In 1369 reeds bedeelde hij zijn zonen met tientallen heerlijkheden, maar hij behield nog steeds het toezicht over hun beheer. Omstreeks 1370 trad hij nogmaals in het huwelijk, deze keer met Isabella van Hamel, de tweede dochter van de Heer van Grevenbroek, de jonge en schone weduwe van Engelbert de la Marck en van Wouter van Rincken. Dat verwekte de toorn van zijn kinderen. Strijdende in de rangen van het Brabantse leger te Bats-Wilder op 22 augustus 1371, werd hij op de vlucht gedreven. De inwoners van Maastricht mishandelden de edellieden die hertog Wenceslas van Limburg in de steek hadden gelaten. Ook van Schoonvorst werd schandelijk beledigd. Na zoveel tegenspoed verliet hij het land en zijn echtgenote en ging sterven op het eiland Rhodus op 27 december 1375.
e. Joanna van Rreydenbempt
Na de dood van Otto van Born rond 1374 (13) genoot zijn echtgenote Joanna het vruchtgebruik van de heerlijkheid Bocholt. Zij bleef niet weduwe en trad reeds in 1374 in de echt met Lodewijk van Reifferscheid, die in 1391 in naam van zijn vrouw voor de Leenzaal van Kuringen de verheffing deed (14). Het is moeilijk te bepalen hoelang Lodewijk van Reifferscheid in het bezit is gebleven van onze heerlijkheid.
Rond 1400 immers hebben nog andere pretendenten de heerlijkheid verheven (15). Uit de levensbeschrijving van de heren van Reifferscheid en Salm blijkt dat bisschop Arnold van Horn een burcht uit het land van Loon aan Lodewijk ontnam, om ze aan een lid van zijn eigen familie te schenken.
Deze burcht kan geen andere geweest zijn dan die van Kessenich, dat - zo meende men-— door het huwelijk met de erfdochter zou overgaan naar Jan, heer van Brunshorn.
De zaak moet zich wel heel anders hebben voorgedaan. Lodewijk van Reifferscheid, in naam van zijn vrouw, heer van Kessenich en Bocholt, steunde de graaf van Gullik in zijn strijd tegen Luik. Bisschop Arnold van Horn ontnam hem het kasteel van Kessenich: "qui una cum duce Juliae, Leodiensibus bellum indixit, quod scilicet Horneus, eorum episcopus, castrum quoddam Ludovici in comitatu Lossensi, suo donaret consanguineo" (16).
14. familie van Horn of Brunshorn
a. Jan Hubert van Horn
In 1402, na de dood van Lodewijk van Reifferscheid en zijn echtgenote Joanna, komt de heerlijkheid in handen van de neef van Lodewijk, Jan Hubert van Horn of Brunshorn, heer van Kessenich. De heren van Kessenich konden zich niet lang verblijden in het bezit van Bocholt.
b. Willem van Horn
Hij was een broer van Jan Hubert en werd na diens dood heer van Bocholt. Hij sneuvelde op 25 oktober 1415 op het slagveld van Azincourt (17).
c. Jan de Bunde
Hij was een zoon van Jan Hubert van Horn. In 1415, na de dood van zijn oom Willem, verhief Jan de Bunde de heerlijkheid "per obitum Huberti de Bunne quondam sui patris" (10). Jan de Bunde deed een tweede heffing in 1420 "tamquam a novo domino", dus bij de troonsbestijging van de nieuwe prinsbisschop, Jan van Heinsberg (19). Filippine, de natuurlijke dochter van Heinsberg, echtgenote van Jan de Bunde, Heer van Bocholt, was de zuster van de prinsbisschop.
Deze omstandigheid werd er de oorzaak van dat de inwoners van Kaulille de prinsbisschop ervan verdachten, zijn invloed te hebben aangewend om hen voor de Leenzaal van Kuringen in het ongelijk te stellen. Het Opperste Leenhof moest in 1477 beslissen over een heidetwist tussen Bocholt en Kaulille. De grensbepaling viel uit ten nadele van Kaulille. Daaruit volgden wantrouwen en verdachtmaking. Dankzij een bevriende tussenkomst werd de zaak in der minne geregeld en had zij geen verdere gevolgen (20).
Met welk recht Jan de Bunde de heren van Horn als heer van Bocholt opvolgde, blijft nog een raadsel. Waarschijnlijk stond hij in verwantschap met de familie van Elslo. Het blazoen op de munten die Jan de Bunde deed slaan te Grote–Brogel en te Erpekom draagt steeds drie kepers als hartschild. Het wapen van Elslo is volgens Rietstap: van keel met drie kepers van goud.
Steunende op die gelijkenis menen de Chaestret, de Haneffe en anderen, dat het geslacht Bunde uit dat van Elslo gesproten is. Misschien had de familie Heinsberg rechten op Bocholt zowel als op Kessenich en kreeg Filippa Bocholt als bruidschat.
Wat er ook zij, Jan de Runde stierf kinderloos en liet zijn vrouw het vruchtgebruik van de heerlijkheid.
Om zijn erfenis zou fel gestreden worden. Zij werd opgeëist door Jan de Wilde uit het huis van Brunshorn Heer van Kessenich, de grote Luikse volksleider, en ook door Otto de Bunde,broer van Jan de Runde. Beiden erkenden echter het vruchtgebruik van de weduwe.
Jan de Wilde beweerde dat hij – als omzegger van Jan de Bunde – de naaste erfgenaam was. Reeds in open twist met de nieuwe prinsbisschop, Lodewijk de Bourbon, zette hij allen voor een voldongen feit. Hij kocht voor 1000 Rijnse gulden de steun af van de Luikenaren en verdreef de rechtmatige eigenaars.
Uit een bulle van 1 mei 1462 van Pius II, blijkt dat de Luikenaren gewapenderhand met klaroengeschal Bocholt hebben veroverd, de door de prinsbisschop aangestelde bezitters hebben verjaagd en er ten teken van bevrijding een perron hebben opgericht.
Om deze en vele redenen werd hun excommunicatie bekrachtigd (21). Op 29 mei 1458 deed Otto de Bunde afstand van zijn rechten ten voordele van Jacob I, graaf van Hoorn (22). Jan de Wilde deed hetzelfde op 3 maart 1464 (23).
De familie de Bunde verdween uit onze gewesten en raakte in de vergetelheid. Het moedige, maar treurige einde van Jan de Wilde is genoeg gekend. Hij sneuvelde bij een uitval uit het belegerde Luik in 1468.
Zo kwam onze heerlijkheid in het bezit van de grafelijke familie van Hoorn.
Wel werd ze nog een tijd in pand gegeven aan de Luikse volkstribunaal Raes van Heers en aan de beruchte Heer van Humbercourt, die tot gouverneur van Luik werd aangesteld door Karel de Stoute en later door de Gentenaars werd onthoofd. Hij verkocht zelfs zijn rechten, verbeurd verklaard goed van zijn voorganger, "terram, villaguin et dominium de Bouchout", aan Walfard van Borselen (24).
15. De familie van Hoorn
Ook na de verzoening tussen de Arenbergers, partijgangers van de familie van der Marck en die van Hoorn, partijgangers van de prinsbisschop, ter bezegeling van de vrede, werden Bocholt en Grote-Brogel in 1502 als bruidschat afgestaan aan Margaretha van Hoorn en haar echtgenoot Everard van der Marck.
a. Everard van der Marck
Everard behield de heerlijkheid tot aan zijn dood in 1532. Hij bepaalde dat Jan van Hoorn voor Bocholt de vroegere koopsom, d.i. 1000 Brabantse gulden, zou betalen, indien dit door zijn testament werd geëist, en schold hem 3000 gulden proceskosten kwijt (25).
Daardoor bleven de graven van Hoorn hier meester tot ver in de 16de eeuw. Zelfs nadat de laatste graaf van Hoorn, de beroemd geworden Philips van Montmorency, te Brussel op het schavot stierf, bleef Bocholt aan zijn familie toebehoren. Dit in tegenstelling met het graafschap Hoorn, dat als mannelijk leen zonder erfgenaam terug in het bezit kwam van de prinsbisschop.
b. Eleonora van Montmorency
Zoals reeds hoger vermeld werd de heerlijkheid Bocholt niet aan de kerk van Luik toegekend. Zij werd op 22 januari 1571 in leen gevraagd door Eleonore, zuster van de onthoofde graaf. Dit werd haar toegestaan door de Leenzaal van Kuringen. Zij kwam in het bezit van Bocholt op 2 november 1575 (26).
c. Willem van Lalaing
Na de dood van Eleonore van Montmorency werd haar zoon Willem, graaf van Lalaing, heer van Bocholt. Spijts een verheffing door Adolf van Nieuwenaar op 12 februari 1580, in naam van zijn vrouw Walburgis van Nieuwenear (de weduwe van de onthoofde graaf van Hoorn), blijft de heerlijkheid Bocholt in het bezit van de familie de Lalaing tot omstreeks 1600.
16. De familie van Bocholtz
Rond 1600 gaat het dorp over in het bezit van een familie die de naam van de heerlijkheid draagt. We weten echter dat zulks moet worden toegeschreven aan het groot aantal eensluidende toponymen.
a. Arnold van Bocholtz
Reeds op 24 oktober 1601, na de dood van zijn vader, had Arnold van Bocholtz, domproost te Hildesheim en aartsdiaken van Luik, de heerlijkheid Bocholt verheven (27).
b. Godart van Bocholtz
Walburgis van Nieuwenaar, weduwe van de onthoofde graaf van Hoorn, beval bij testament (28), dat Bocholt moest overgaan aan George, Everard graaf van Solyns, en "in der christelycke gereformeerde religie" ingelijfd diende te worden.
Spijts dit testament releveert Godart, hoogscholtis van Luik, broer van Arnold, weer een het dorp in 1603.
Godart werd geboren in 1570. Hij was de zoon van Willem van Lalaing (1522 — 1595) en Ode van Cortenbach, dame van Cortessem en Bocholt. Hij was o.a. drossaard van het ambt Pelt en Grevenbroek en schepen van Luik van 1623 tot 1631. Als weduwnaar van Margriet van Boesberg hertrouwde Godart van Bocholtz in 1604 met Margriet van Croesbeek, dochter van Steven en Cecilia de Rougrave. Het huwelijkscontract uit 1604 leert ons dat hij heer was van Bocholt en cijnzen bezat te Bree en te Beek en dat zijn echtgenote mijnen bezat in Wallonië en eigendommen te Rutten en Gelinden. Uit zijn eerste huwelijk werd in 1599 een zoon, Jan Willem, geboren. Oda van Cortenbacht schonk haar vruchtgebruik van de heerlijkheid aan Godart en zijn kinderen (29).
Pas op 8 maart 1624 stond Karel van Lalaing, oom van Godart, zijn rechten af aan Godart en Arnold van Bocholtz (30).
c. Jan Willem van Bocholtz
Hij was een zoon uit het eerste huwelijk van Godart van Bocholtz. Toen Godart en Arnold van Bocholtz hun rechten op Bocholt aan hem overgaven, kwam er een einde aan de betwistingen en processen.
Hij huwde met Anna de Hoensbroeck, dochter van Herman, heer van Oostham, en Anna van Grevenbroek. Uit dit huwelijk werden 8 kinderen geboren, waaronder Anna Margaretha (°1628), die huwde met Georges Frederik de Renesse, baron van Elderen, en Agnes Odilia (1631), die huwde met Otto Louis de Blanckaert, heer van Guigoven. In 1644 deden Jan Willem, Baron van Bocholt, en zijn vrouw de parochie van Elen uit recht van patronaatschap "tot meerdere glorie van God, ter ere van de kerkelijk heilige Petrus" de kerk herbouwen.
Na de dood van Jan Willem werden de bezittingen van de familie verdeeld onder de erfgenamen. Loten werden opgemaakt en het lot besliste dat juffrouw Joanna Theresia Clara vrouwe van Bocholt zou worden (31).
d . Joanna Theresia Clara van Bocholtz
Zij werd in 1683 vrijvrouwe van Bocholt. Zij huwde met graaf de Lannoy, maar stierf kinderloos in 1730. In haar testament duidde zij haar nicht, gravin douairière de Fresing, geboren Wittenhorst, als erfgename aan.
Later verving zij deze door de tweede zoon van baron de Blankaert, op voorwaarde dat deze jongeling de naam en het wapen van de Bocholtz zou dragen, en een der dochters van baron de Furstenberg tot vrouw zou nemen (32). Gravin de Fresing stelde Maria Alexandrina de Furstenberg tot erfgename aan (33).
De heren de Blankaert, heer van Bocholt en tiendenheffer van Elen, en baron de Furstenberg betwistten elkaar het recht, de priester-kandidaat voor de parochie van Elen aan de aartsdiaken te kunnen voorstellen.
17. De familie de Blankaert
Na de dood van gravin de Fresing, werd de heerlijkheid verheven door baron de Blankaert, domheer te Luik, en door freule de Furstenberg (34). De baron won het pleit (35); zijn familie bestuurde Bocholt tot omstreeks 1780.
18. De familie de Furstenberg
Rond 1760 kwam de heerlijkheid Bocholt in handen van Clemens, Lotharius de Furstenberg (36).
De laatste heer die zich over het bezit van de heerlijkheid Bocholt mocht verheugen was Francis, Clemens baron van Furstenberg (37).
Hij oefende de heerlijke rechten uit van 12 november 1791 tot aan de Franse Omwenteling in 1798. Van hem wordt verteld dat hij van Dusseldorf te paard over de Napoleonsweg - toen de enige droge baan - kwam om de huur van zijn goederen op te trekken. Telkens verbleef hij dan enkele dagen in Bocholt.
AANTEKENINGEN
(1) Lim. Oorkonden. I, nr. 877.
(2) Lim. Oorkonden. II, nr. 1184. Volledige tekst in An. H. Eccl. XVI. 236.
(3) An. H. Eccl. XVI, 236.
(4) Lim. Oorkonden. II, 13 nr. 1040. Wij citeren hier letterlijk de korte inhoud van het charter gelijk dit in het uitstekend werk van kan. J. Coenen staat aangegeven. Ook elders wijken we slechts weinig af van die flinke samenvattingen.
(5) Limburgse Oorkonden. 11,13 NRS. 1041 en 1042.
(6) Paquay. De invloed van de Cluniacensische en Gregoriaanse Hervorming op het lekenpatronaat van onze kerk, in V.U. 1933.
(7) Lim. Oorkonden. III, 115.
(8) Lim. Oorkonden. III, 117.
(9) Lim. Oorkonden. III, 173, nr. 2532 en P.S.H.A.L. XXIX, 145 en 212
(10) De Reedt, Sceaux armoriés. I 294.
(11) Franquinet. Les Schoonvorst, documents inédits in P.S.H.A.L. XI 300.
(12) Zie P.S.H.A.L. XI, het artikel van Franquinet.
(13) Zie P.S.H.A.L. XI, 257, in 1374 volgens de Grassier P.S.H.A.L. LXVIII,80.
(14) De Borman, Le livre de fils du comté de Louz sous Jean d'Arckel, blz.278.
(15) Registers van de Leenzaal van Kuringen op het Staatsarchief te Hasselt I. f° 78 v°.
(16) Reiffenberg, Monuments pour servir á l'histoire des Provinces de Namur, de Hainaut et de Luxemburg, I. 749 (table onomastique).
(17) Daris. Notices X 149 en Wolters. Notice histoirique sur l'ancien comité de Hornes. Blz. 43.
(18) Zaal van Kuringen. Register I, f° 78 v°.
(19) Zaal van Kuringen. Register IV, f° 69.
(20) Daris. Hist. du diocèse et de la principaute de Liège pendant le XV siècle. Blz. 202 en Limburg, XIV, 224.
(21) De Ram. Documents selectifs aux troubles du Pays Liège, blz. 503 en J. de Chaestret, Jean de Wilde in B.I.A.L. XIII, 1-20.
(22) Zaal van Kuringen. Reg. VI, f° 4 en kan. J. Coenen, Jan de Wilde in Limb. Bijdragen VII.
(23) Zaal van Kuringen. Reg. VI, f° 13 v°.
(24) Zaal van Kuringen. Verheffingen. Reg. VI f° 180.
(25) Zaal van Kuringen. Verheffingen. Reg. VIII, f° 107 v°.
(26) Zaal van Kuringen. Verheffingen. Reg. XXII, f° 40 v° en f° 131 v°.
(27) Zaal van Kuringen. Reg. XXV, f° 38.
(28) Zaal van Kuringen. Reg. XXV, f° 59.
(29) Zaal van Kuringen. Reg. XXVI, f° 157.
(30) Zaal van Kuringen. Reg. XXVI, f° 193.
(31) Zaal van Kuringen. Reg. XXXIV, f° 49.
(32) Zaal van Kuringen. Reg. XXXVIII, f° 90 v°.
(33) Zaal van Kuringen. Reg. XXXVIII, f° 109.
(34) Zaal van Kuringen. Reg. XXXIX, f° 44.
(35) Zaal van Kuringen. Reg. XL, f° 400.
(36) Zaal van Kuringen. Reg. XXXXV, f° 84.
(37) Zaal van Kuringen. Reg. XXXXVI, f° 219.
B. Taak van de heer
De heer was oorspronkelijk leenman van de graaf van Loon, en later van de prinsbisschop van Luik. Al was de heer de grootste gezagsdrager op alle gebied, toch had hij een zeer zware dubbele verantwoordelijkheid.
Enerzijds had hij de belangen van de graaf van Loon of de prinsbisschop van Luik te verdedigen, anderzijds moest hij zich houden aan de vrijheden die de heerlijkheid genoot en aan zijn ridderplichten t.o.v. zijn onderdanen.
Hij genoot ook gedeeltelijk van de heerlijke rechten. In andere heerlijkheden genoot de plaatselijke heer volledig daarvan; in Bocholt gaven de mensen niet meer toe dan nodig was.
De heer had
a. Het recht de schout en de schepenbank te benoemen.
b. Het recht de hele dorpsgemeenschap op te roepen in tijden van gevaar. Hij voerde
ze trouwens zelf ook aan. Dit zullen we later nog zien als Bocholt een heidetwist
heeft met Kaulille.
c. Het recht bepaalde wetten uit te vaardigen die zijn veiligheid en die van de
heerlijkheid borg stelden. Toch zien we regelmatig dat de dorpelingen aan de heer
sommige voorrechten betwistten die in andere heerlijkheden vanzelfsprekend waren.
d. Ook de hoogste rechtspraak in de heerlijkheid. Ze werd echter uitgeoefend door schout en schepenen, daar de heer zelf weinig in Bocholt verbleef.
C. De bezittingen van de heer
1. Kasteel of versterkte burcht?
Het is van zelfsprekend dat bij elke vrijheerlijkheid een kasteel of versterkte burcht hoorde. Toch was dat in Bocholt niet het geval. Nergens vinden we in de documenten ook maar iets dat duidt op het bestaan van een kasteel of burcht.
Volgens de Seijn in zijn "Dictionaire histoirique et géographique des Communes Belges" is het kasteel van Bocholt in 1554 verwoest door de troepen van de hertog van Mansfelt of Mansfielt. Die hertog was een schoonbroer van de toenmalige heer van Bocholt. Niet hij, maar één van zijn luitenanten voerde in die periode oorlog in de Kempen.
Wij konden nergens een bron vinden waaraan de Seijn zijn gegevens heeft ontleend. Wij besluiten dan ook dat hij het over een ander Bocholt heeft.
- Als Bocholt een schans bezat, had het immers geen versterkte burcht nodig. Op de
schans zullen we later uitvoerig terugkomen.
- In iedere heerlijkheid waar een burcht was, waren de inwoners verplicht wacht te
houden. Dit wachtlopen gebeurde dag en nacht en in tijd van gevaar werden nog
extra voorzieningen getroffen. De mannen die wacht liepen werden door de gemeente of door de heer betaald. Nergens vinden we echter iets over een wacht of over rekeningen in dat verband.
- Ook de stelling dat de "Damburg" ooit een kasteel is geweest, klopt niet, al is
deze hoeve dan ook omringd door een gracht. De Damburg was niets anders dan een
versterkte hoeve. Daarenboven werd de Damburg pas gebouwd toen Bocholt reeds lang een schans bezat.
Voor wie mocht twijfelen aan de waarheid van deze beschouwingen halen we een overtuigende tekst aan. In 1633 werden de goederen van de familie van
Bocholtz verdeeld (1). Alle bezittingen staan nauwkeurig aangetekend. Onder lot A
vinden we de heerlijkheid Bocholt. Van een slot, burcht of kasteel wordt er niet
gesproken, maar onder nr.3 staan opgetekend:
"La cense de Ryppershoven avec ses droits et appendances, les censes de Hinnisdael et de Dammenborg avec leurs terres, prayries et plantages en dépendant".
In de 17de eeuw was de Damburg dus nog een eenvoudige hoeve. Gedurende de 18de eeuw spreekt men over "het adellijk huis van de Dambor”, of over "het kasteel" (legger 1769, blz. 186).
Saumery in zijn " Délices du pays de Liege" (2) beschrijft ons de Damburg zoals zij er heden ten dage nog uitziet : "Le chateau qui faisait sa demeure (van de familie van Bocholtz) est hors du village, entouré d'un large fossé qui fait toute la défense. Les batements en sont en tièrement négligés et n'ont rien de consi-dérable qu'un assez joli pavillon, accompagné de deux ailes qui forment le entrée”. “Ce chateau est aussi possédé par Monsieur de Voestemberg".
Uit de laatste twee aanhalingen mogen we opmaken dat die herenhoeve sinds 1683 merkelijk was verfraaid. Ook de bestaande gebouwen komen deze mening bevestigen; het jaartal 1715 prijkt boven de monumentale ingangspoort(zie de foto bij de aantekeningen).
Toch verbleven de heren van Bocholt er slechts enkele dagen in de zomer en dan alleen om er te jagen.
Daarom komt de beschrijving ,die Z.E.H. Kan. J. Coenen (3) van de Damborg geeft, ons te groots voor. "Niet ver van de schoone kerk van Bocholt naar den kant van Gruitrode ligt het oude Damburg. De huidige pachterswoning is slechts de schaduw van het vroegere slot, dat rond een middenplein opgetrokken met zware torens en poort vierkant te midden van breede grachten stond en eeuwen lang tot vesting diende van de heren van Bocholt".
Wij denken dat deze reconstructie een parafrase is op het woord Damborg, eigenlijk Dammenbergh, te vergelijken met Wolckenborgh, Keijserborgh, Custerborgh, enz.: allemaal oude Bocholter plaatsnamen die duiden op een versterkte hoeve.
- Een andere stelling is dat een van de bezitters, gravin de Lannoy, de bedoeling had van de Damburg een zomerslot te maken, zonder enige defensieve functie, dat wel als buitenverblijf moest dienen voor de heren van Bocholt. Helaas moest zij de verbouwing ervan stopzetten wegens geldgebrek. Wel werd het gebouw later herhaaldelijk uitgebreid, o.a. door de Furstenbergs, die de ingangspoort lieten bouwen. In de kelders vindt men nog menig spoor van de vele gedaanteverwisselingen die de Damburg in de loop der tijden heeft ondergaan. Onder de tweede wereldoorlog werden nog enkele muurschilderingen ontdekt, die echter van minder belang zijn en in geen geval uitstaans hebben met de Damburg.
- Later zal de Damburg voor velerlei functies aangewend worden. We zullen daarop later uitvoerig terugkomen.
2. Pachthoeven
De heer had sommige pachthoeven in zijn bezit.
Hij had, met de toelating van de inwoners van de heerlijkheid Bocholt, van de gemeentegronden een aantal bunders vruchtbaar gemaakt. Hij bouwde daarop een hoeve en verhuurde deze en de grond aan een van zijn onderdanen. Zo mocht hij in 1629 "twee plaatsen opgraven uit het gemeyn bij Rypershoven” (4).
3. Inkomsten van de heer
Naast die onroerende goederen bezat de heer nog, volgens geijkte uitdrukking, "pachten, renten, cynsen en andere revenuen".
Een andere keer spreekt men van "renthen, ackerlanden, bempden, bossen met al hare op- en dependentiën met hoge, lage en middele jurisdictie, ceynsen, cormeden, renthen, thienden, pachthoeven, meulens, vuyvers, visserijë" (5).
Het meest gedetailleerd vinden we de voordelen van de heerlijkheid opgesomd in de reeds aangehaalde delingsakte van de familie van Bocholtz.
Als "oppendentiën en dependentiën" vinden we vermeld:
1. Een cynshuf
dat oplevert 71 schepsels haver, 200 hennen, 2 eenden, 16 kapuitne, 33
pond was, 50 fl. 11 st. en 3 duiten in geld, daarbij de tol op de 4 dagen van de
jaarmarkt.
2. Een leenhof
bestaande uit verscheidene lenen van velerlei aard, zoals blijkt uit de registers die berusten in de handen van maire Van den Steen.
Ook in de archieven heeft dit hof sporen nagelaten. Zo moesten in 1715 de leenschepenen van de jurisdictie Bocholt "met assomptie van Leys Thijs schepen der hooghbancke" uitspraak doen in een geschil tussen graaf de Lannoy, heer van Bocholt en priester J.B. Bormans, beneficier van een altaar in de parochiekerk van Peer (6).
Die kapelaan was voor 2/3 tiendeheffer van drie hoeven te Goolder onder Bocholt,
geheten Metten of Pels, Bogaerts en Nijs.
De heer beweerde dat die gronden leengoed waren, maar de E.H. Bormans weigerde volstrekt keur of relief te betalen. Een vonnis van het leenhof verplichtte hem aartoe.
3. De hoeve van Ryppershoven
met rechten en aanhorigheden, de hoven van Hinnisdoel en van de Damnenborg met haar gronden, weiden en beplantingen.
4. De weide genaamd "Raubampt"
5. De banmolen
gelegen op de Aa, vroeger "Heermolen", nu Cloetsmolen" geheten.
6. Drie vijvers
de Loozerwijer, de Commandeurswijer en de Vrouwendonckwijer.
7. Een cijns
van 3 gulden, 12 stuivers en 1/2 duit op de gemeentegronden die de laatste jaren met toestemming van de heren waren verkocht.
8. Een weide genaamd "De Reuwe"
Deze opsomming moet ons niet in de waan brengen dat de heren van Bocholt zich hier rijk gemaakt hebben. Verre van dat.
We geloven dan ook graag Ode van Cortenbach, wanneer zij verklaart dat de heerlijkheid niets opbracht, toen zij afstand deed van het vruchtgebruik dat ze over Bocholt had. Het onderhoud, het beheer en de bewaking van de goederen moesten dus de inkomsten geheel opslorpen.
D. De heer en de gemeente
1. Inhaling van de nieuwe heer
Als een nieuwe heer bezit nam van de heerlijkheid Bocholt, werd hij door de hele gemeenschap onder "de linde" ontvangen. "Onder de linde" was een plaats waar - naar aloud gebruik - de hele gemeenschap placht samen te komen voor het bespreken van de goede gang van de zaken die de ganse gemeenschap aanbelangde.
Dit gebruik stamt uit de tijd van de oude Germanen, toen recht moest worden gesproken op klaarlichte dag onder de blote hemel. Gewoonlijk gebeurde dit in de schaduw van een grote boom: een eik, olm of linde.
Deze boomsoorten stonden bij onze voorouders in hoog aanzien, omdat zij een weergave waren van de esseboom "Ygdrasil", bij dewelke de Skandinavische goden recht spraken.
Het gebruik bleef voortbestaan, ook toen onze gewesten bekeerd werden tot het christendom. Zoals in ieder dorp stond er te Bocholt op het dorpsplein een linde. Helaas verdween deze bij de Franse Omwenteling. Het staat vast dat de dorpsgemeenschap meermalen onder "de linde" samenkwam, ten minste tweemaal per jaar.
Een andere mogelijkheid is dat de gemeenschap in de eerste tijden bijeenkwam onder een eik die tot in het bovendorp bij de kapel van 0.-L.-Vrouw van Lourdes stond (Reppelerweg – familie Luys). Een merkwaardige eik van 4,20 en 3,90m omtrek, met een volle stam van 9,5m, die aan de gemeente toebehoorde.
Dat de inhaling van een nieuwe heer gepaard ging met een officiële ceremonie, zullen we aantonen door middel van twee citaten. "Onder de Linde staende, bij den hoevel off merctvelt van Bocholt beloofde den Heer plechtig te laten in privilegiën en gerechten".
a. De tekst van die eedaflegging
wordt vermeld in 1632, toen Joanna Theresia de heerlijkheid Bocholt kwam "ontvangen op het dorp onder de Linde" "Ick Joanne Teresia van Bocholt, frijvrauwe deses dorps beloove bij eijdt die gemeijnten van Bocholt bij hunne oude privilegiën ende gerechticheyt te conserveeren en daer tegens niet te attenteeren, soo helpe mij Godt ende alle sijne heyligen.Wij ingeseten der vrijheerlicheyt van Bocholt beloven onder onsen eedt aen die hooch ende welgebooren vraulijn Joanna Teresia onse genadige vrouwe ende gehoorsaemheyt wie sulcx trouwe en gehoersaemheyt underdaenen schuldich zijn te doen. Soo helpe ons Godt en alle sijne heyligen".
We vonden deze tekst ook zoals hij vermeld staat in het privilegieboek:
"Op heden den 21 augustus 1532 heeft die hooch ende welgebooren Vreuwlijn, Joanna Theresia van Bocholtz, vrijvrouwe tot Bocholt ende Orey, vrouw tot Granville, de heerlijckheit Bocholtz ontvangen op het dorp onder de Linde. Ende heeft die selve de gemeente van Bocholt voorseid mit eede belooft te laeten bij hunne privilegien ende billige gerechtigheden, ende deselve niet te verminderen meer liever te vermeerderen".
"Daarnaer opdato ende plaats voorseid hebben die gehele gemeenten ende ondersaten van Bucholt onder eede de selve vreuwlijn Joanna Teresia als hunnen genaedige vrouwe van Bocholt geaccepteerd ende allen trouw belooft ende in processie geintroduceert neer oude costuyme ende gewoonte" (7).
Volgt daarop de eed van de adellijke jonkvrouw en die van de ingezetenen, zoals hierboven beschreven.
b. Ook de inhaling van de laatste heer van Bocholt
vinden we opgetekend :
"De Hoogedele hooggeboren Heer Franciscus Clemens des Heilichrooms rijkx vrijheer, baron van Furstenberg, heer van Dessel, Horst, Sevenum en Bocholt, etc. werd benoemd als heer van Bocholt op 12 november 1791. Hij gaf constitutie of volmacht op 30 juli 1792 aan J.M. Clercx, de bekende luitenantdrossaard van Stokkem, de prendre possession de notre seigneurie de Bocholt, y prêter en notre nom le serment accoutumé et faire tuut ce qu'est d'essentiel et requie pour prendre possession en due et légale forme...”
Die volmacht werd door de schepenbank onderzocht en geregistreerd, er bijvoegende dat "den niemandt als een hem oft sijn geconstitueerde de pachten, renten, ceynsen en andere revenuen der heerlijcke inkomsten te betalen sijn".
Verder staat er deze officiële tekst :
"Wij schepenen ons in corpore vergadert hebbende ter gewoonlijcke plaatse van publicatie om de versoghde possessieneminge en notificatie neer gewoonelijcke klockkenslagh op het dorp onder de Linde met het overleveren van eerde en de justitiecamer met het aenraecken der buecken (oud - en nieuw testament) en op het Dammenborg (8) met het vuer laeten omhoogh te gaen en aenraecken van de deure en schouwe en van daer naer de kerck en aldaer oock geoccupeert de plaetse van sijn excellentie, etc.
Schepenen relateren de selve in corpore geschiet te sijn en den selve heer Clercx geconstitueerden namens sijne exc. voors. in reele en actuele possessie gestelt te hebben met alle solemniyten als voors. van Lit tot Lit hier boven gementioneert”.(9)
Daarna volgde de eed door de gevolmachtigde, de eed door de burgemeesters. Get. Math. Theod. Mevis, secretaris van Bocholt.
Spijts al de eden en de hoge titels hadden de heren van Bocholt in het dorp slechts een beperkte macht en leverde de heerlijkheid hun weinig of geen geldelijk voordeel op.
Ondanks de beloften die de Bocholtenaren aan de heer deden, zien we regelmatig de heer met zijn onderdanen in proces verwikkeld.
2. Moeilijkheden tussen de heer en de gemeente
a. De inwoners betwistten de heer het monopolie van het jachtrecht (10)
Op 5 september 1753 had de schout in het huis van twee inwoners een snaphaan gevonden met hagel geladen. Hij beweerde dat zulks in strijd was met de prinsbisschoppelijke mandementen en daagde de twee Bocholtenaren voor het gerecht (11). De gemeente nam het op voor Niklaas Ghijsen en Jan Aerts. Zij deed de schepenen verklaren dat geen enkel mandement over het jagen, noch dat van 4 juli 1724, noch dat van 21 september 1741, geregistreerd was. Het recht van jagen hoorde toe aan alle onderdanen.
Op 1 augustus 1766 (12) kwamen de partijen eindelijk tot een akkoord. De gemeente moest 4000 gulden betalen in twee termijnen. Vele inwoners weigerden, ook hun honden te "knuppelen of te kenneven". Ook dit waren ze verplicht volgens de mandaten van de prinsbisschop. "Bocholt" zeiden ze, "was een vrijheerlijkheid en die mandaten waren er niet van kracht". Zij bezaten vuurroeren en schoten konijnen en duiven, doch liever "heimelijk dan in presentie van den jager", verklaarde een getuige. Na het proces werd een nieuwe overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de heer:
1.De heer alleen kwam het jachtrecht toe.
2.De honden hoefden niet geknuppeld te worden, maar zij mochten niet vrij in de velden en de bossen rondlopen.
3.Zo nodig mochten de heer, zijn officier (schout) met twee schepenen en een burgemeester de huizen onderzoeken, doch geen kisten, schapraaien of kasten openen, tenzij het een diefstal gold.
4.Voor het schieten van wolven en kraaien moest men eerst toelating vragen aan de schout.
5.De inwoners mochten hun snaphanen behouden, doch niet met kleine hagel laden.
6.Vissen in beken en wild water was toegelaten.
7.Lijsters vangen bleef ook toegelaten.
b. Al de gemeentenaren plantten bomen
bezijden hun erf, op de gemeentegrond "en vervolgens daer heer en meester af sijn om se te mogen kappen, daer mede doen wat sij begeeren, al ofse op hunne arfgronden stonden". Een uitspraak van de schepenen van Vliermaal bevestigde dat de heer niet het recht had om zijn onderdanen dat te beletten.
c. De heer moest ook toestemming geven, wilde de gemeente grond verkopen
Op 26 maart 1567 verleende Joannes Willem, vrijheer van Bocholt, aan de gemeente octrooi om hier en daar enige plekken uit de gemeente, 8 of 10 bunder, te verkopen, zo min mogelijk schade voor de gemeenschap aan te brengen en op de volgende voorwaarden:
- de aankopers moesten cijns betalen;
- de schout van de heer moest erop letten dat de wegen niet werden versmald;
- het belang van de heer mocht niet geschaad worden.
Deze verkoop bracht zeer veel op : meer dan 11.000 gulden (13)
d. Ook de banaliteit van de molen werd niet zonder meer aangenomen
De gemeente "specialijck vergadert op het dorp ter school gewoonlijke vergaederplaats" beweerde dat de molen van Bocholt niet banaal was, m.a.w. dat de bewoners van Bocholt hun graan mochten doen malen waar ze wilden (14).
Weer waren de onderdanen verplicht toe te geven, maar de heer moest voor een spoedige en flinke bediening zorgen. Zo werd vanwege de heer een schadevergoeding aangeboden aan een molenaar.
e. De heer had zelfs niet het recht de volledige gemeente te laten samenkomen onder de Linde
Zulks zou trouwens blijken uit een proces dat de gemeente aanging met Baron de Blankaert (1e). De gemeentenaren werden eens, op het bevel van de heer, samengeroepen door A van de Broeck, secretaris van de schepenbank en broer van de schout. Drie burgemeesters begaven zich onmiddellijk ter plaatse en protesteerden (16).
Daarop werd de zaak voor de Leenzaal van Kuringen gebracht : de burgemeesters beweerden dat zonder hun toestemming de gemeente niet mocht worden samengeroepen. De aanleggers deden echter beroep op de inhaling van gravin de Fresing als vrouwe van Bocholt. Zij mocht, stond daar geschreven, met klokslag al de inwoners verzamelen (17).
f. Zo volgden er nog meer processen (18)
die we niet moeten aanzien als een verdrukking vanwege de heer of een inmenging in de gemeentelijke zaken, doch enkel als een uitvloeisel van de dorpspolitiek.
En als wij boven die processen lezen "De heer contra de gemeente" dan geloven we dat de heer dikwijls onwetend was betreffende wat er in zijn dorp gebeurde en dat het in werkelijk ging om twee partijen die elkaar met alle middelen wilde bekampen. Aan de ene kant de substituut-schout en secretaris van de schepenbank van de Broeck (die volgens zijn eigen woorden de gemeente met geen twee duit wilde redden) met zijn aanhangers en aan de andere kant de burgemeesters, die door het overige deel van het volk werd gesteund.
g. Toch kwam het bijna eens te Bocholt tot een gewapend conflict
Toen de vrijvrouwe van Bocholt, Walburgus ban Neuenar, de protestantse gravin van Hoorn, het protestantisme wilde invoeren, werden de predikant en zijn aanhangers door heel de gemeente verdreven. De schout zelf, die normaal de belangen van de heer moest verdedigen, sloeg de predikant letterlijk van de predikstoel.
Als antwoord gaf de vrijvrouwe de predikant een gewapend escorte mee. Toen de Bocholtenaren dit zagen, gingen zij zich ook wapenen en gingen in blok rond de pastoor staan.
De soldaten, die er nooit aan hadden gedacht voor zulk een overmacht te komen staan, keken elkaar stilletjes aan en kozen na een halve draai rechtsom het hazenpad, om aan hun meesteres te gaan vertellen dat ze een vergeefse poging hadden ondernomen om de kerk te ontzetten en dat er helemaal niet te praten viel met haar onderdanen. Daarmee was de zaak dan ook geregeld (19).
AANTEKENINGEN
(1) Zaal van Kuringen. Reg. XXXIV, f° 49. (2) Boekdeel, IV 191. (3) J. Coenen, Jan de Wilde, in Limburgse Bijdragen, VII, blz. 31. (4) Bocholt, Privilegiebeek, f° 16. (5) Zaal van Kuringen. Rog. XXXVIII f° 282. (6) Staatsarchief van Hasselt. Bocholt, Bundel IV. (7) Bocholt, privilegieboek, f° 19. (e) De Damburg was een heerlijke hoeve, tijdens de 18de eeuw uitgebouwd tot een kasteel (a° 1715 boven de ingangspoort), waar de heren van Bocholt weleens verbleven. (9) Bocholt, privilegieboek, f° 47. (10) Zaal van Kuringen. Reg. XL, f° 400 (22 september 1767). (11) Bundel VI, 1764. (12) Bucholt, Reg. XVI 100, of Zaal van Kuringen XL 400, datum op 22 september 1767. (13) Reg. VII, 458 v°. (14) Bocholt, Bundel IV, 1730. Privilegieboek, nr. 16 en 46. (15) Bocholt, Bundel VII, 1777 — 1779. (16) Bocholt, Bundel VII, 1777 — 1779. (17) Cfr. M.Bussels, Rochelt Voorheen, (1e heerlijkheid, in V.O. 1037. (16) Cfr. M. Bussels, Bocholt Voorheen, De heerlijkheid, in V.O. 1937, 368 (19) P.S.H.A.L., XII, 224. |
|
| |
Hoofdstuk IV
RECHTSTOESTAND IN ONZE HEERLIJKHEID
We dienen al dadelijk een onderscheid te maken tussen de burgerlijke en de strafrechtelijke macht. Beide rechtsambten behoorden toe aan de graaf van Loon en, na de aansluiting van Loon bij Luik in 1364, aan de prinsbisschop, als graaf van Loon. De prinsbisschop heeft echter reeds in de vroege middeleeuwen de beide rechtsmachten overgedragen aan ondergeschikten.
A. Burgerlijk recht
Het burgerlijk recht, dat betrekking had op het bestuur van roerende en onroerende goederen, was in vroegere eeuwen verbonden met de verbrokkeling van de gronden. De gronden van de vorst, met hun landerijen, werden oorspronkelijk en gedurende geruime tijd uitgebaat ten gunste van de troon. Later gingen zij echter op de onderdanen over.
1. 0fwel gaf de vorst ze hun ten geschenke voor bewezen diensten, vrij van
leenroerigheid : dit waren de eigengoederen (allodiale goederen, vrijheer-
lijkheden). Hun bezitters noemde men eigeërfden.
2. Ofwel gaf de vorst ze hun onder zekere voorwaarden te leen, zodat zij er het
vruchtgebruik van hadden, terwijl hij er het eigendom van behield: dit waren
leengoederen (feodale goederen), en de bezitters noemde men leenmannen.
3. Ofwel stond de vorst het eigendom en het vruchtgebruik af voor een jaarlijkse of
eeuwige rente of cijns: dit waren de cijnsgoederen of laathoven; de bezitters
droegen de naam van cijnsplichtigen of laten.
Voor ieder van de drie categorieën bestonden er speciale gerechtshoven, waar alle kwesties betreffende goederen (koop en verkoop, verhuren, erven, testamenten, hypotheken, betwistingen, enz.) volgens de voorschriften van het "Lantrecht" behandeld, gevonnist en geregistreerd werden: de erf–, leen– en laathoven.
De laathoven echter hadden enkel bevoegdheid voor de lagere rechtspleging. Voor meer belangrijke rechtszaken vielen de cijnsgoederen onder de bevoegdheid van een schepenbank. Ook de goederen die niet onder een bepaald laathof thuishoorden, waren voor de burgerlijke rechtspleging op de schepenbank aangewezen.
I. De erfhoven
Voor de eigengoederen richtte men zich in ons graafschap Loon tot de ondergeschikte erfhoven van Bilzen of Stokkem, of tot het oppergerecht van Loon. Tegen de beslissingen van deze hoven kon men in beroep gaan voor de Leenzaal van Kuringen.
Dergelijke goederen bezat gravin Ermengardis in de llde eeuw rond Bocholt.
II. de leenhoven
Voor het verhandelen van leengoederen moest men zich wenden tot een leenhof. In Loon bestonden een groot aantal ondergeschikte leenhoven voor kleine lenen en achterlenen.
Het Oppergerecht van de Leenzaal van Kuringen hield zitting, eerst in het kasteel van de prinsbisschop van Kuringen (vandaar zijn naam) en sedert 1584 te Hasselt in "De Helm", het hoekhuis van de Grote Markt met de Hoogstraat.
De prinsbisschop zat het eerst zelf voor, als de graaf van Loon. Later liet hij zich vervangen door een stathelder of schout. Buiten de voorzitter bestond het hof uit 4 of 7 voorname leenmannen uit de landadel. Daarbij zetelden nog met beslissende stem de 7 schepenen van het "Oppergericht van Vliermaal", die als rechtsgeleerden hun kennis ten dienste stelden. Na de dood van de prinsbisschop of na de dood van de leenman, moest het leengoed iedere keer voor dit hof "gereliveerd of verheven" worden. Het werd dan opgetekend in het register van het Leenhof.
Als leengoederen onder Bocholt gelegen, werden in de Leenzaal van Kuringen gereliveerd:
1. De heerlijkheid (dominium) Bocholt, met al haar aanhorigheden. Deze werd op 9 februari 1391 gereliveerd door Lodewijk, heer van Reifferscheid, als momber of voogd en wettig echtgenoot van Dame Joanne van Bredenbarnde, die het vruchtgebruik van voormeld domein bezat. In 1415 werd de heerlijkheid verheven door Jan de Bunde, zoon van Hubert en schoonbroer van prinsbisschop Jan van Heinsberg (1).
2. Een leengoed van de kerk van Luik. Namelijk het hof van "Ten Venne". Het werd op 30 juni 1477 gereliveerd door Daniel Domen, gehuwd met Margriet van Chiney, die het erfde van haar grootvader Godfried van Chiney, schout te Bree. In 1550 was het in bezit van Daniëls kleindochter, Margriet Walters, gehuwd met Jan Noepen (2).
III. De laathoven
Een laathof was samengesteld uit een meier en enige laatschepenen. Ze werden door de heer van de goederen aangesteld. Het aantal schepenen hing af van het belang en de uitgestrektheid van de goederen die onder het laathof ressorteerden.
Alle laathoven hadden als bevoegdheid de aan de heer verschuldigde cijnsen te innen en de verhandelingen te doen die nu door notarissen verricht worden. Het kopen en verkopen "met brandende keerse", ruilingen, rente, goedkeuring en registratie van testamenten, erfenissen, enz.
Tegen de beslissingen van de laat- of cijnshoven kon men in beroep gaan bij het Hoog Leenhof van Kuringen.
Laathoven onder Bocholt gelegen waren. :
1. Het laathof van Hinnisdael. Het was niet onder Bocholt gelegen, maar hoorde onder de bezittingen van de Damburg. Hiervan is ons echter geen enkel register overgebleven. Hinnisdael was verwant met de familie Taxis of Huls. Het laathof was gelegen onder Bree. Over de familie Taxis of Huls vindt men meer informatie in "De geschiedenis van Bree", deel 1, blz. 132.
2. De stenen Winning, gelegen onder Bocholt. Hier vinden we als meier vernoemd: Gerard Van den Steen. Het ambt van meier was erfelijk in de familie Van den Steen.
IV. De beroepshoven
Volgens de algemene regel moest de schepenbank van Bocholt in burgerrechtelijke zaken niet "in lering" gaan bij het Oppergericht van Vliermaal. Wel mochten ze hun moeilijke gevallen voorleggen aan het gerecht. Wel kon tegen de burgerrechtelijke beslissingen van een laathof en van een schepenbank in beroep worden gegaan bij de Hoge Schepenbank van Vliermaal. Deze rechtbank bestond uit een hofmeier en 7 schepenen, die allen doctor in de rechten moesten zijn. Ook de Hoge Schepenbank van Luik kwam in aanmerking voor dit in beroep gaan.
B. Strafrechtelijke macht
Deze macht was helemaal anders georganiseerd dan de burgerrechtelijke macht. Nu is het niet meer de verbrokkeling van de goederen die aan de basis ligt, maar wel het principe van de grondheerlijkheid. Een deel van het graafschap Loon stond onder de rechtstreekse controle van de prinsbisschop. Vooral in de vrijheerlijkheden moest hij de macht delen met de heer en de schepenbank. Vermeldenswaardig is ook het feit dat in de stad Bree het Luikse recht werd gebruikt en in de gehuchten van Bree (Beek, Gerdingen en Reppel) het Loons Recht, zoals te Bocholt.
I. Gerechtelijke gebiedsindeling van het graafschap
Het graafschap Loon was onderverdeeld in zes drossaardambten: nl. Loon, met zetel te Hasselt, Montenaken, de graafschappen Horne en Pelt, en vanaf de 16de eeuw ook Grevenbroek. Bocholt viel eerst onder Stokkem en daarna onder Grevenbroek, dit toen het drossaardambt verplaatst werd van Stokkem naar Grevenbroek in Nederlands-Limburg.
De gerechtsdienaars
Aan het hoofd van ieder drossaardambt stond een drossaard of luitenant-drossaard. Hij werd benoemd door de prinsbisschop en had uitgebreide machten op militair, administratief en strafrechtelijk gebied. In burgerrechtelijke zaken kwam hij niet tussen.
Als hoofd van het strafgerecht in zijn ambt moest hij in naam van de prinsbisschop en onder het gezag van het Oppergerecht van Vliermaal misdrijven en overtredingen opsporen, de daders vervolgen en ze voor de plaatselijke schepenbank brengen. Tijdens zijn actie werd de drossaard bijgestaan door een uitgebreide politiemacht en door de plaatselijke schouten en gerechtsboden. Vermelden we nog dat de drossaard van Stokkem, George Frederic de Renesse, Baron van Elderen, gehuwd was met Anna Margriet van Bocholtz, dochter van Jan Willem, baron van Bocholtz. Zeker mogen we de beroemdste drossaard, Clercx, niet vergeten, die Bocholt en omstreken van de Bokkenrijders heeft verlost. Daarop komen we later nog uitvoerig terug.
De heerlijkheid Bocholt
Onder het rechtsgebied van Bocholt viel de ganse heerlijkheid met al haar aanhorigheden.
Gerechtsdienaars
De strafrechtelijke macht te Bocholt werd uitgeoefend door een schout en een schepenbank, bijgestaan door een gerechtsbode en de secretaris van de schepenbank.
1. De schout
De schout was de plaatsvervanger van de heer van Bocholt. Hij werd door de heer aangesteld en voor het leven benoemd. Op een bepaald ogenblik werd de schout van Bocholtz zo machtig, dat de hele gemeenschap en zelfs de heer alles in het werk stelden om hem ten gronde te richten. Dat de schout zo machtig was, was te wijten aan de vele langdurige afwezigheden van de heer. Men kon de schout ook wel betitelen als de tweede heer van Bocholt.
De schout was de voorzitter van de schepenbank. Hij moest de vervolgingen instellen tegen de misdadigers, ze laten opsporen en voor het gerecht doen verschijnen. In de zitting van de schepenbank, ten minste eenmaal per week, hoorde hij de aanklachten aan, beëdigde de getuigen, vroeg de schepenen hun oordeel over het geval, leidde de besprekingen van de twee partijen en "maande" de schepenen, het vonnis uit te spreken.
Zelf had hij geen beslissende stem, maar enkel een raadgevende stem in de be-raadslagingen van de schepenbank. Eens wanneer het vonnis door de schepenen was bepaald, moest de schout ervoor zorgen dat de straffen werden uitgevoerd. Was de veroordeelde gevlucht, dan beval hij een klopjacht te houden.
Buiten zijn rechterlijke macht had de schout ook militaire macht. Hij moest zorgen voor het behoud van orde en vrede, voor de bescherming van de heerlijkheid en voor de handhaving van het gezag van de heer. Daarom kwam hem toe, de ordonnanties van de heer of de prinsbisschop bekend te maken, de dorpswacht in te richten en deze in geval van belegering of van oorlog aan te voeren. De schout hield zich niet bezig met administratie. Wel zien we hem dikwijls samen met de schepenen de vergaderingen van de gemeenteraad bijwonen. De schout was immers aangesteld om de rechten van de heer en de prinsbisschop te doen gelden en handhaven en ook de inkomsten te beheren die de heer of prinsbisschop in het dorp had.
Gezien het belang van dit ambt en de geringe vergoeding die ervoor betaald werd, koos de heer samen met de prinsbisschop een bemiddelde grondeigenaar of iemand uit de landadel, die in de rechten bedreven was. Hij moest ook, door plichtsbesef en waardigheid, gezag en voldoende invloed op de onderdanen kunnen uitoefenen. Omwille van het feit zelf werd de schout bij zijn benoeming tot ridder in de adelstand geslagen. Hij kreeg jaarlijks een vergoeding uitbetaald door de rekenkamer van de prinsbisschop. Hij moest resideren in zijn ambtsgebied. Hij moest de rentmeesters van de prinsbisschop dienen in zaken die hem betroffen. Hij moest goede noties houden van alle misbruiken en excessen, bijzonder die welk de "kapitaalstraf" (doodstraf) verdienden of de "weghenban" (boeteweg) vereisten. Daarom moest hij maandelijks schriftelijk rapport uitbrengen voor de "Secreten Raad" (geheime raad) van de prinsbisschop. De schepenen en alle officieren en gerechtsdienaars moesten hem houden voor schout en, na de eed, hem met vrede zijn ambt te laten uitoefenen en hem hulp en onderdanigheid betonen. De schout had een plaatsvervanger, die alleen mocht optreden als de schout ziek of voor een lange tijd afwezig was.
Later zullen we het nog hebben over enkele zeer gekende schouten van Bocholt.
De betrekkingen tussen de heer en de gemeente werden beter toen de familie Van den Steen het schoutsambt bekleedde.
Reeds op 12 juli 1633 deed Gerard zijn eed als schout en stadthelder; op 29 november 1672 zijn zoon Godfried Gerard. Zij waren volksgezind en bij een gebeurlijk conflict tussen de heer en de gemeente stonden zij aan de kant van het volk.
Met toestemming van de heer schonk Gerard in 1665 drie dagen strafrecht aan de oude schutterij : op Sint–Laurensdag, op de dag van de "jaermarckt" en van Onze-Lieve-Vrouwhemelvaart (3), strafte hij de kapitein van de gilde. De eerste en voornaamste gestrafte was altijd de schout.
Op 16 juli 1658 schonk Gerard nog 100 gulden kapitaal aan de kerk, "om olie of smout te branden voor het heilich sacramentshuys in de lampe aldaer hangende" (4).
Toch vernemen we dat de schout ook zijn vijanden had. Heyn Scotelmans zei in de herbergen, dat hij de brui had aan de schout. Hij vernielde 22 appelbomen en dreigde de "royen haen te doen kraaien".
Zulks was een natuurlijk een uitvloeisel van de grote macht die de schout had weten te veroveren. Door de gedurige afwezigheid van de heer was hij immers de overheid. Zijn huis stak geweldig af tegen dat van de dorpelingen, want in de ligger van 1776 spreekt men van kasteel. De familie Van den Steen bewoonde immers de Stenen Winning.
Zowel vader als zoon Van den Steen waren niet alleen schout, maar ook secretaris van de justitie. Zij schreven de gemeenterekeningen en hun vacatien (5) bedroegen soms zoveel als die van al de burgemeesters samen.
Rijk als zij waren gaven ze soms grote voorschotten aan de gemeente. De rekeningen die ze zelf schreven en controleerden als schout en als schepen en ook nog eens in de naam van de heer "pro generoso domino". Zij huurden de tienden van de abdij van Herkenrode (6) en hadden een schuur op de schans om die tienden te bergen.
Zij waren rentmeester van de Onze-Lieve-Vrouwekapel te Veldhoven (kapel 18) (7).
Toch brachten slecht gedrag en ontucht hen ten onder. Zowel de heer als de onderdanen deden hun best om de schout in het verderf te storten. Bij overmaat van ramp brandde in 1699 de woning van de schout af (8) en hij moest zijn meubelen verkopen.(9) Na de Van den Steens telde Bocholt schouten die minder machtig waren, die dikwijls niet in het dorp verbleven en het steeds opnamen voor de heer. Soms lieten ze zelfs de wensen van de Blankaert of de Furstenberg voorgaan.
Over de wegen in Bocholt waren er ook geregeld twisten. Schout van den Broeck beweerde dat er twee heirbanen van 32 voet breedte door gemeente liepen en hij wilde de inwoners verplichten die maat aan twee straten terug te geven. Deze keer moest hij wel toegeven dat er in Bocholt geen landbanen bestonden (10). Hij mocht de boete van twintig goudgulden niet toepassen en zou de wegen laten zoals ze tussen hun grachten lagen. Zo luidde het akkoord tussen de schout en de burgemeesters Willem Reusen en Jaak Bonen.
2. De schepenbank
Boven de laathoven met lagere jurisdictie stond met hogere bevoegdheid, vooral voor het oordelen en het vonnissen, de schepenbank. De schepenbank of "Hooghe Bancke" van Bocholt bestond uit 7 schepenen. Zij werden allen voor het leven benoemd, 4 door de heer van Bocholt en 3 door de prinsbisschop van Luik. Zij moesten hun eed afleggen uit handen van de schout.
De schepenbank had inzake strafrecht de grootste rechtsmacht. De prinsbisschop had enkel voor zich gehouden: de goddelijke en menselijke majesteitsschennis (ketterij, opstand, muiterij). Onder de bevoegdheid van de schepenbank vielen: doodslag, moord, schaking, verbreking van de vrede, diefstal, valsmunterij, verraad, brandstichting, struikroverij en in het algemeen al de misdaden waarvoor men lijfstraffen opliep.
De schepenen waren meestal bejaarde en ervaren, vrije gegoede onbaatzuchtige mannen, burgers door geboorte of door verblijf van ten minste één jaar in de heerlijkheid. De oudste schepen droeg de titel van president-schepen. Hij was het die bij een veroordeling het vonnis voorlas.
Buiten de gewone wekelijkse zittingen op de "schepenkamer" of justitiekamer op de Damburg mochten de schepenen niet aanwezig zijn zonder de toestemming van de schout. De schout moest er voor zorgen dat er altijd een meerderheid van schepenen aanwezig was, opdat men geldig zou kunnen beslissen in gerechtszaken.
Het waren dus alleen de schepenen die het oordeel velden. Zij deden dit na "maning" van de schout.
Voor de schepenbank werden ook de gewone verhandelingen van goederen gedaan, zoals voor de laathoven. Zij werden door de secretaris geregistreerd in de gichtregisters.
3. De secretaris van de schepenbank
De secretaris moest verslag opmaken van de zittingen van de schepenbank. Hij moest ook de dagvaardingen opstellen. Wij vinden zijn werk terug in de rol- en gichtregisters.
II. Het strafrecht
Het strafrecht, dat bestond uit een samenstelling van straffen die opgelegd werden aan de overtreders van de wetten van het land, had tot doel de rust en de orde te handhaven in land en gemeente, alsmede de persoon en eigendom te beschermen.
Met keuren en vele ordinanties van latere datum, die in het archief bewaard zijn gebleven, kunnen we ons een tamelijk volledig beeld vormen van het strafrecht zoals het hier in onze gewesten in de 15de en 16de eeuw in voege was.
Daarna werd, zoals overal, ook hier het gewoonterecht ingevoerd van de "Carolina", de door Karel V in 1532 uitgevaardigde Constitutie, die door verschillende prinsbisschoppen (o.a. Cornelius de Berghues, Georges van Oostenrijk en vooral Gerard van Groesbeek) voorgeschreven werd aan hun onderdanen.
Een van die richtlijnen was, dat de rechters voortaan over de schuld van een misdadiger moesten oordelen op de eerste plaats naar het inzicht en dan naar de daad op zichzelf.
Andere voorschriften beoogden de misbruiken inzake repressie, door wraakneming ingegeven, te beteugelen (Nil novi sub sole).
Wanneer we de gerechtsstukken aandachtiger gaan bestuderen, stellen we vast hoe de wetgevers van die tijd geen rekening hielden met het inzicht van de misdadiger, noch met de vraag of hij de gevolgen van de daad had voorzien, maar enkel vooringenomen waren met het tastbaar gevolg van het vergrijp (nl. de driedubbele schending van de openbare orde, van de rust van de gemeente en van het privaat welzijn) en dat zij dan ook voor iedere misdaad een straf voorschreven die in evenredigheid was met het belang van de zaak en die verschilde volgens zekere bezwarende omstandigheden: b.v. met of zonder wapens, vreemdelingen tegen burgers, lichte of zware wonden, kinderen tegen ouders, burgers tegen een lid van het gemeentebestuur of omgekeerd.
In het verdere verloop van deze uiteenzetting zullen we nagaan hoe de straffen werden uitgevoerd : aanklacht, dagvaarding, soms zelfbekentenis na tortuur, rechtspraak en uitvoering van het vonnis.
a. De aanklacht
Eerst moest het gerecht regelmatig op de hoogte gebracht worden. Tot aan het einde van de 14de eeuw moest, tenminste voor zware straffen, de aanklacht ingediend worden door het slachtoffer zelf of door zijn nabestaanden. Zonder dat mochten de gerechtelijke overheden niet optreden. Hadden de twee partijen een overeenkomst of regeling in der minne (een vrede) getroffen voordat er klacht was neergelegd, dan kon het gerecht niet optreden. Later werden de gevallen waarvoor de aanklacht niet vooraf geëist werd talrijker en kon de schout ambtshalve het gerecht inlichten.
b. De dagvaarding
Wanneer de klacht was ingediend, werd de aangeklaagde gedagvaard. Soms was hij reeds aangehouden : burgers mochten enkel in voorarrest gesteld worden voor zware misdrijven waarbij ze op heterdaad betrapt werden, vreemdelingen voor alle gevallen. De aangehoudene werd dan door de gerechtsbode of boy voor de rechtbank gebracht. Liep de misdadiger nog op vrije voeten, dan werd hem door de bode het verzoek overhandigd dat hij op die dag en dat uur, waarop ook de getuigen zouden verhoord worden, voor de schepenbank zou verschijnen. Kwam hij, dan werden door de aanklager (schout) de feiten uiteengezet. De getuigen werden onder eed verhoord. In geval van slagen, wonden of moord gingen de schout en schepenen met een dokter of chirurgijn het slachtoffer onderzoeken ; zij brachten dan onder eed verslag uit aan de schepenbank.
Verder werd er gedebatteerd over de bewijzen, en naargelang van wat die bewijzen uitwezen spraken de schepenen de vrijspraak of de veroordeling uit.
Kon men de aangeklaagde niet bereiken om hem het bevel van de dagvaarding te overhandigen, dan werd zijn naaste familie die in de vrijheid woonde verzocht te komen luisteren naar de getuigen en de aanklacht. De familie kon dan de beschuldigde voor een volgende rechtszitting op de hoogte brengen.
Was de plichtige gaan lopen uit schrik aangehouden te worden, dan verwittigde men enkele dagen op voorhand zijn naastbestaanden ervan waar en wanneer het onderzoek zou plaats hebben, welke klacht ingediend werd en wie als getuigen zouden aantreden. De beschuldigde kreeg een vrijgeleide om zich voor het gerecht te komen verdedigen zonder te mogen worden aangehouden binnen de heerlijkheid Bocholt.
c. Zelfbekentenis - Tortuur
Soms werd zelfbekentenis afgedwongen door tortuur. Daartoe mocht alleen overgegaan worden in het bijzijn van de schout en de schepenen.
De tortuur zelf werd uitgevoerd door een beul, die gezonden werd door het Hoge Schepenhof van Vliermaal, op aanvraag van de schepenbank van Bocholt.
Alleen hij was kundig en bevoegd om bepaalde martelingen toe te passen. Het was immers niet de schepenbank van Bocholt die de straf bepaalde, maar wel die van Vliermaal.
Men ging gewoonlijk als volgt te werk. Na de dagvaarding werd door de secretaris van de schepenbank van Bocholt een verslag opgemaakt van de misdaad, met daarin vermeld alle getuigenissen, het waarom van de misdaad, enz. Dit verslag werd overgemaakt aan het Schepenhof van Vliermaal. Aan de hand van dit verslag stelden de schepenen van Vliermaal een vragenlijst op. Deze vragenlijst werd dan weer teruggezonden naar het schepenhof van Bocholt. Aan de hand van deze vragenlijst stelden de schepenen vragen aan de betichte. De uitslag hiervan en de eventuele bekentenis van de beklaagde werden dan weer overgemaakt aan het schepenhof van Vliermaal. Aan de hand van de antwoorden die de beklaagde had gegeven en die van de getuigen moesten de schepenen van Vliermaal een oordeel vellen. Het oordeel van de schepenen van Vliermaal werd overgemaakt aan die van Bocholt. Deze hadden dan de eer, de uitspraak aan de beklaagde mee te delen.
Deze handelswijze gold enkel voor zware misdrijven, zoals moord, doodslag, verkrachting, brandstichting, enz.
Nu moet men niet gaan denken dat de schepenbank van Bocholt helemaal geen nut had. Integendeel, in kleinere misdrijven gingen zij niet "te lering" bij het schepenhof van Vliermaal. De schepenen van dit hof waren allen dokters in de rechten, terwijl de schepenen van Bocholt wel vooraanstaande burgers waren, maar intellectueel helaas niet op het niveau van die van Vliermaal stonden. Toch stippen we hier even aan, dat schout Van den Steen een voor zijn tijd geweldig ontwikkeld man was en het ook grotendeels daaraan te wijten was dat hij zich zo een machtspositie in Bocholt had weten te veroveren.
Komen we even terug op de tortuur. De tortuur mocht enkel toegepast worden op mannen en vrouwen die ingezetenen waren van de heerlijkheid en dan alleen als de straf die voor hun misdaad voorzien was erger was dan de tortuur zelf; verder als men reeds voldoende redenen had om hen te verdenken, en als de foltering door een vonnis van het gerecht van Vliermaal bevolen was.
De tortuurkamer lag te Bocholt op de Damburg. Naar ons bescheiden oordeel was ze voor die tijd zeer degelijk en comfortabel ingericht. Aan de muren hingen de brandijzers, tangen en een zeer uitgebreid gamma van martelwerktuigen. In zijn boek "De Bokkenrijders" geeft J. Melchior (10) een heel hoofdstuk vol interessante gegevens over de tortuur. Voor de liefhebbers geven we hier enkele van de meest gebruikte martelwerktuigen en hun uitwerking.
1. De estrapade of koordtortuur
Men bond de handen van de betichte op de rug met één of meer knopen in de vorm van een acht. Volstond dit niet, dan kreeg de beschuldigde daarbij een koord rond het lijf en onder de armen. Deze koord deed men door een beweegbare katrol glijden en zo werd de betichte omhoog gehesen. Hij bleef tussen hemel en aarde hangen tot hij een bekentenis aflegde (11).
2. De duimschroeven
De beschuldigde werd zodanig vastgebonden dat hij zich niet meer kon bewegen. Zijn handen echter waren op zo een wijze gebonden dat de beul er geheel vrij kon over beschikken. De duim werd dan tussen twee bleken gespannen en men neep de gewrichten bij elkaar. Men kan zich indenken dat deze handeling zeer pijnlijk was.
3. De Spaanse stievels of laarzen
Deze methode was in de ogen van de beul wellicht het neusje van de zalm. Ze was nog veel pijnlijker dan de duimschroeven. Men ging als volgt te werk. De beschuldigde zat op een houten zit, met de armen omhoog, tegen de muur vastgebonden. Dan werden zijn twee naakte benen tussen twee dikke stijlen gebonden. Tussen de twee middelste van de vier houten stijlen sloeg de beul vier of acht wiggen of spieën, zodat de stijlen meer en meer de benen knelden en ze soms in een erbarmelijke toestand brachten (12).
Bij de foltering was steeds een beëdigd geneesheer aanwezig, die de getortureerde moest verbinden en verzorgen, en ervoor moest zorgen dat hij levend en onverminkt bleef.
Vermelden we nog dat de beul een persoon was die, gezonden door het Hoge Schepenhof van Vliermaal, als enige de tortuurstraffen mocht toepassen.
d. Straffen
We zagen reeds dat door het gerecht verschillende soorten straffen werden opgelegd: lijfstraffen, geldboeten, enz..
1. Lijfstraffen
a. De uitvoering van de lijfstraffen werd toevertrouwd aan de vertegenwoordiger van
de heer, nl. de schout.
b. Voor de doodstraf werden de beschuldigden naar de galg geleid. Deze plaats van
terechtstelling lag altijd op de grens van de heerlijkheid, al schuwde men deze
plaats als de pest. Het was in die dagen dan ook een mooi onderwerp voor de vele
spookverhalen die in onze heerlijkheid de ronde deden.
De galg van Bocholt was opgericht op de galgenberg. Zeker herinnert de
Galgenbergstraat ons nu nog daaraan.
Men zal de bedenking maken dat de huidige Galgenberg in Reppel ligt. Dat is zo, maar men dient te weten dat de huidige Galgenberg slechts een uitloper is van de vroegere, die reeds begon waar nu de boerderij van de familie Adriaensen ligt. Als we vandaar uit in de richting van Goolder kijken, zien we duidelijk heuvels op verschillende plaatsen in de weiden en de bossen. Wij mogen dus aannemen dat de huidige berg slechts een klein gedeelte is van wat hij vroeger is geweest.
Het verhaal deed ook de ronde in Bocholt dat, tijdens opgravingen die op die plaats werden verricht, nog balken van de galgen werden teruggevonden.
Degene die de straf moest uitvoeren was weer de beul, hiervoor speciaal gezonden
door het Hoge Schepenhof van Vliermaal. In Bocholt werden er in de tijd van de
Bokkenrijders een drietal mensen opgehangen. We zullen daarop we later nog zeer
uitgebreid terugkomen.
J. Melchior geeft in zijn boek "De Bokkenrijders op blz.96 en 101 een geschiedkundig juiste beschrijving van zo een terechtstelling, die ten andere in het romantische gedeelte over de Bokkenrijders van Ecrevisse werd overgenomen. Wij achten het nutteloos hierop verder in te gaan (13).
c. Verder was er ook nog te wurging, die op dezelfde plaats gebeurde waar ook het
ophangen van de misdadigers plaats vond. De schuldige werd aan een paal
vastgebonden en door middel van een "kennepe of worgkoord" door de beul gedood.
Vervolgens werd het lijk van de misdadiger verbrand.
d. Het opsluiten gebeurde voor kleinere zaken in de tortuurkamer. Voor een langdurige hechtenis sloot men de gevangenen op in de daartoe voorziene cellen op de Damburg.
Deze lagen waarschijnlijk vlak bij de ingang, links en rechts. Hierover bestaat
enige twijfel. Men denkt wel dat deze lugubere ruimten zouden hebben gediend als
verblijf van de poortwachter of portier van de Damburg.
e. Het aan de kaak stellen gebeurde naar alle waarschijnlijkheid op het dorpsplein.
Hier had men ook het perron opgericht (we hebben hierover reeds gesproken, toen we
verhaalden hoe Jan de Wilde Bocholt innam).
De veroordeelde werd op een verhoog of een daartoe bestemde arduinsteen met een
ijzeren band om de hals rond de kolom van het perron vastgebonden. Zo werd hij tot
zijn schande te kijk gesteld, met op zijn hoofd of op zijn borst een plakkaat
waarop vermeld waren het waarom van de veroordeling en de straf waartoe hij
veroordeeld was. Daar deze straf niet toegepast werd om een bekentenis uit te
lokken, dus niet als foltering, maar wel als een les voor de toeschouwers, denken
we in deze gevallen niet te doen te hebben met het foltertuig dat bekend stond
onder de naam van "tortuurstoeltje met halsband", doch wel degelijk met de straf
van het "aan de kaak stellen".
2. Geldboeten
Voor het betalen van geldboeten deed de schout een bevel tot betalen overhandigen.
Wie daaraan niet binnen de 40 dagen voldeed, werd buiten de heerlijkheid verbannen of liep een gevangenisstraf op.
3. De "wegh"
Wie veroordeeld was tot het volbrengen van een "wegh" of reis naar Compostella, Wilzenaken, Keulen of Rome, moest binnen de 40 dagen na de uitspraak afscheid nemen van de burgemeesters en bij alle heiligen zweren dat hij de reis zou maken en goede getuigschriften van ginder zou meebrengen. Na zijn vertrek moest hij dadelijk de heerlijkheid verlaten en tenminste op 2 mijl afstand blijven.
Wanneer hij bij het gemeentebestuur aldaar een officieel bewijs was gaan halen, kon hij terugkeren. Wie zijn straf niet volbracht of valse reisbrieven meebracht werd uit de heerlijkheid verbannen. Het zal sommige lezers interesseren te weten, welke weg de reizigers naar Compostella volgden.
In het groot Hulthemse Handschrift nr.192 van de Koninklijke Bibliotheek van Brussel staat de weg aangegeven van Parijs naar St.-Jacob :
"Parijs tot St.Cleer, 7 mijl ; tot St.Aernout 4 ; tot Anel 4 ; tot Pruneel 4 ; tot Bonevael 6 ; tot Claeye 3 ; tot Vendôme 6 ; tot Boley 6 ; tot Tours in Toreine 6 ; tot Monbason 6 ; tot St.Katelinen 4 ; tot Poer de Pile 4 ; tot Casteel - Arant 4 ; tot Poeytiers 7 ; tot Levinet 5 ; tot Ville - Dieux 10 ; tot St.Jan d'Anselijn 4 ; tot Sentes 5 ; tot Pons 4 ; tot Merebeel 4 ; tot Blacie 7 ; tot Boerdeus 7 ; tot Casteel - Belijn 11 ; tot Faven 9 ; tot Molinet 5 ; tot Fonteines 3 ; tot Aexs in Gasscoeniën 6 ; tot St.Jan de Scorbeu 4 ; tot Gheretten 4 ; tot Oestervael 2 ; tot St.Jan du Piet du Tours 4 ; tot Ronsevael 7 ; tot Pampelone 8 ; tot Pont la Reine 5 ; tot Sterren 4 ; tot Lorserken 4 ; tot Greon 5 ; van Greon tot Nasières 5 ; tot St. Dominicus 4 ; tot Borghes 10 ; tot Fonteines 6 ; tot Casteel - Sorijs 2 ; tot Formentes 5 ; tot Cerrioen 4 ; tot St.Fagoen 6 ; tot Masellen S ; tot Lioen in Spa-niën 3. Samen 257 mijl. "Daer nemdi den wech ane, doer die scorie, ter rechter hant ; ende ter slincker hant den rechten wech " (16).
Aangaande Wilsenaken, deelde Dr. M. Bussels, ex - conservator van het Rijksarchief te Hasselt, ons het volgende mee : Wilsnack is een stad in Pruisen bezijden Postdam. Men ging er op bedevaart naar het H. Bloed, voortkomende ven 3 HH. Hosties, in 1383 aan een brand ontsnapt. De overige HH. Hosties werden door de protestantse predikant Ellefeld verbrand.
De scholtus mocht in naam van de heer genade verlenen voor lijfstraffen. De reizen konden, met toestemming van het gemeentebestuur, met geld afgekocht worden. Geldstraffen werden niet kwijtgescholden.
AANTEKENINGEN
(1) C. de Borman, op cit. blz. 278.
(2) C. de Borman. Le livre d'or de la Famille de Borman V.
(3) Bundel IX, 1663.
(4) Reg. VII, 274.
(5) Bundel I, 1652.
(6) Reg. X, 243.
(7) Reg. VII, 310 en 361.
(5) Reg. X, 226.
(9) Reg. XXI, 131.
(10) Reg. XVI, 44.
(11) J. Melchior. De Bokkenrijders, blz. 72. Dr. J. Gessler, in L.B., uit Bundel 5
(1907), blz. 62 — 121.
(12) Eug. Hubert, La torture aux Pays—Bas autrichiens pendant le XVIII°
siècle, blz. 18.
(13) Idem als onder(12).
(14) P. Meersseman, 0.P. gaf een uitgebreide studie uit over de galgen
(1946).
(15) Kon. Bibliotheek. Brussel, handschrift 192, onder nr. CXCVII, blz.
195, kol. 1 en 2. Zie ook "Geschiedenis van Bree", blz. 44, deel 1 |
|